Op 28 juni 1962 verongelukte onder mysterieuze
omstandigheden de X-11, een Douglas Dakota C-47 van de Nederlandse Luchtmacht op weg van
Merauke naar Biak in het toenmalige Nederlands Nieuw Guinea met acht mensen aan
boord,
waaronder een baby. Pas in 1969 is het wrak bij toeval vanuit de lucht ontdekt. Het ligt
op een richel in de zuidflank van de Carstenz Piramide op een hoogte van 4160 meter. De
oorzaak van het ongeluk met de X-11 is onbekend, de ervaren piloot was goed bekend met de
hoogte en het traditioneel slechte weer van het gebergte. Vanwege de ontoegankelijkheid
besloot de luchtmacht destijds dat berging van de stoffelijke resten niet verantwoord was
en is het dossier in 1974 afgesloten.
Eind 1990 is via kranteartikelen in
onder meer de Telegraaf en het Algemeen Dagblad het dossier aan de vergetelheid ontrukt.
Aanleiding is de tocht van één van de nabestaanden, Harry Rudolph, naar het wrak. Deze
wilde met zijn tocht aantonen dat het gebied wel bereikbaar is. Dit is waar sinds 1973 in
het gebied de Freeport Copper Mine is geopend. De luchtmacht besluit dan ook eind 1990 om
het dossier te heropenen en een expeditie op te zetten met als primair doel het bergen van
stoffelijke resten.
Een te snel begin
Begin december wordt de toestand vanuit een helikopter verkend
en wordt in samenwerking met de kopermijn een bergingsplan opgesteld. Op dinsdag 5
februari reist het bergingsteam naar Tembagapura, oftewel "koperberg". De
woensdag wordt besteed aan het inrichten van het nog op het terrein van de mijn op 3885 m.
gelegen Domkamp. Dit kamp is via een kabelbaan nog per auto bereikbaar en dient als
communicatiestation, onderhouden door Pierre Smeets en Marion Barten. Dat het kamp hoog
gelegen is blijkt de volgende dag, donderdag 7 februari als we door hoofdpijn en
vermoeidheid gedwongen worden om een extra dag voor acclimatisatie te nemen.
Vrijdag
8 februari: Naar Dakotakamp
Even na zessen, bij een onbewolkte hemel, vertrekt de helikopter met de survivalspecialist
Henk van Jaarsveld en mij aan boord. Een flitsende pendeldienst begint en binnen twintig
minuten staan de zeven teamleden met uitrusting op de berg. We beginnen met het inrichten
van een 100 m. verder gelegen kampeerplaats
, die Dakotakamp wordt gedoopt. Vrijwel direct stuit bergingsexpert John
van de Berg op een niet natuurlijke hoop stenen. Hieronder ligt de zak met stoffelijke
resten gevonden in 1981 door een Indonesische klimexpeditie. Nadat het kamp is ingericht
begint het zoals altijd hier te regenen. De middag wordt besteed aan het verkennen van de
omgeving en het aanleggen van vaste touwen om enkele wat steilere stukken te beveiligen.
Het meest markante herkenningspunt van het wrak is het
staartstuk dat midden in een hoop verwrongen metaal ligt. Vrijwel recht daarboven ongeveer
30 meter hoger is op de rots duidelijk het inslagpunt te herkennen. Volgens de
expeditieleider Bill Christiaans is het vliegtuig recht tegen de wand aangevlogen. Bij de
klap is de romp opgekreukeld en in stukken gebarsten, van de cockpit is niet meer over dan
kleine brokjes. De rechtervleugel is gek genoeg links van het staartstuk is terecht
gekomen. Nog verbazingwekkender is dat één propeller enkele honderden meters verderop op
de richel ligt. Het geheel is een triest gezicht, zeker als je de resten van de
kinderwagen tussen de wrakstukken ziet.
Zaterdag 9 februari: Hoog bezoek
Het weer is deze ochtend aanzienlijk
minder mooi dan de dag ervoor, maar nog steeds redelijk. Als we bijna klaar zijn met het
ontbijt horen we een helicopter aankomen met daarin de general manager van de kopermijn en
harer majesteits ambassadeur Baron de Vos van Steenwijk. Ze bezichtigen het wrak en keren
na een kwartiertje weer per helikopter terug naar Tembagapura. Na al deze vroege drukte
wordt door de identificatie-expert Harry Jongen de zak met stoffelijke resten geopend. Bij
de resten zitten onder meer twee onderkaken. Die zijn het bewijs dat er van twee mensen
resten gevonden zijn, het eerste tastbare resultaat van de expeditie. Vervolgens zoeken de
expeditieleden onder alle wrakstukken naar stoffelijke resten. Vaak moet tot zo'n 50 cm.
diep onder het zeer taaie gras worden gegraven. Harry Rudolph vindt een gesp en daar
vlakbij vinden we ruggewervels en een schoen met een heel stuk scheenbeen eraan. Ook van
nog een vierde persoon worden stoffelijke resten gevonden.
Zondag, 10 februari: Te hoog gegrepen
Als we zoals gebruikelijk om half zes
opstaan is Harry Jongen misselijk en heeft zware hoofpijn, kortom hoogteziekte. Met behulp
van plaspillen en het toedienen van zuurstof wordt getracht de symptomen te bestrijden,
maar afdalen is voor hem noodzakelijk. Vanwege het slechte weer is de enige mogelijkheid
om te voet naar het Domkamp te gaan. Henk van Jaarsveld gaat tot halverwege mee, ik zal
vandaar met de zieke "teruglopen". De anderen zoeken die dag gewoon verder naar
stoffelijke resten.
De afdaling van Dakotakamp naar de vallei loopt langs een goed begaanbare richel. Helaas ligt het Domkamp in de volgende vallei. Harry en ik moeten vanuit de op 3800 m. gelegen vallei steil omhoog klauteren via een kloof en twee plateautjes tot Guru Ridge (4070 m.) en dan afdalen naar Domkamp op 3885 m. De omgeving is heel mooi, vanuit de bergen komen allerlei stroompjes via watervallen naar de kop van de vallei waar direct een flinke beek ontspringt. Harry Jongen kan er weinig aandacht voor opbrengen en heeft moeite met de indrukwekkend steile omgeving en de pittige klauterpartij. Op een gegeven moment klimmen we zelfs door een waterval heen om naar de andere oever te komen. De uitklim uit de kloof is een makkelijke, maar spectaculaire traverse. Iemand die daar valt kan zo ongeveer opnieuw beginnen bij de vallei. Zes uur na het vertrek uit Dakotakamp komen we aan bij Domkamp.
Maandag 11 februari: Evacuatie van Dakotakamp
Het weer maakt vliegen wederom onmogelijk en ook de anderen zullen te voet moeten
afdalen. Dat betekent tevens dat ik met tien gereed staande Papoea's naar Dakotakamp zal
gaan om bagage op te halen. Een extra toevoeging bij deze groep is harer majesteits
ambassadeur die als enthousiast klauteraar zich deze kans niet laat ontglippen. De
Papoea's zijn aan dit terrein duidelijk gewend en bewegen zich als vissen in het water. Af
en toe stoppen ze even en gaan dan a-cappella zingen, echt een fantastisch effect in deze
bergen. Na bijna twee uur gelopen te hebben komen we in contact met de Dakotakamp groep,
halverwege de richel op de berg. De ambassadeur heet de groep welkom met de woorden
"Welkom in mijn ambtsdomein" en zal de groep naar beneden begeleiden. Ik ga met
de Papoea's naar Dakotakamp om bagage op te halen. 
Nog geen uur later staan we in Dakotakamp. Het verdelen van de bagage is een chaotisch
tafereel, ze willen allemaal een andere kant op en liefst met de lichtste bagage.
Uiteindelijk vertrekken ze allemaal met de juiste bagage. De snelste Papoea's hebben de
moeizaam voorploeterende Nederlanders snel ingehaald. Ik blijf bij de langzame groep
Papoea's die met het zwaarste stuk bagage sjouwen, een aluminium koffer van meer dan 30
kilo, gevuld met opgravingsmateriaal en videocamera's. Ze zetten die koffer om beurten op
hun rug en lopen dan een stuk alvorens weer in elkaar te zakken. Net voor de spectaculaire
traverse aan het eind van de kloof halen we de teamleden in. De Papoea's lopen erlangs
alsof het strand van Monster betreft. We bespreken gniffelend in het Indonesisch de
onbeholpen verrichtingen van de Nederlanders die vlak voor ons langs de steile helling
omhoog klauteren. Eén van de Papoea's rekent zijn maatjes voor dat zij lekker twee keer
zo snel lopen als die rare Hollanders. Uitgeput maar wel voldaan komt iedereen
uiteindelijk bij het Domkamp aan. De volgende dag wordt de rest van de bagage per
helikopter opgehaald en woensdag 13 februari reizen we terug naar Jakarta.
Laatste rustplaats
Over de oorzaak van het ongeluk is eigenlijk alleen duidelijk geworden dat het zeker niet komt door gevechtshandelingen. De meest waarschijnlijke oorzaak is een navigatiefout. Nadat de stoffelijke resten zijn overgebracht naar Nederland wordt in overleg met de nabestaanden besloten om niet over te gaan tot identificatie, omdat wellicht niet iedereen geïdentificeerd zou kunnen worden. Voor de nabestaanden is het belangrijkste dat ze na 28 jaar zekerheid hebben en dat de overledenen een laatste rustplaats krijgen in Nederland. Op 22 maart 1991 zijn de stoffelijke resten met militaire eer begraven op het ereveld Loenen. Eindelijk kan ook voor de families van de overledenen het dossier X-11 afgesloten worden.
30 June 2008